KERKELIJKE HONDESLAGER

Soms kom je bijzondere oude beroepen tegen waarbij je je afvraagd “wat deed die persoon voor de kost”. Een van die bijzondere beroepen is de kerkelijke hondeslager.

Een hondeslager (ook wel Koddie genoemd) moest ervoor zorgen dat er minder overlast was van lopende honden in de stad. Het was niet een goed betaalde baan maar hij kreeg wel een mooi pak, vaak met het stadswapen op de borst. Zijn wapen bestond uit een knuppel met scherpe ijzeren punten. De hondeslager kreeg de opdracht om de hond zo met de knuppel te raken dat hij na één klap dood was.

De kerk vergiet geen bloed

Voor de kerkelijke hondeslager golden andere regels. Omdat hij een kerkelijk persoon was gold voor hem de regel “de kerk vergiet geen bloed”, dus ook geen bloed van een hond.
Daarom sloeg hij de honden niet dood maar gaf de honden een tik met een zweep om ze weg te jagen. Iedere hond die het waagde om de kerk binnen te glippen werd er hardhandig weer uit geslagen.

Grote kerken hadden meerdere hondeslagers in dienst. Eén voor iedere ingang. De hondeslager had zijn taak gedaan als de hond uit de kerk was en niet meer op grond behorend bij de kerk rondliep. Waar die hond dan heenging, dat was niet de verantwoordelijkheid van de hondeslager. De hond kon overlast bezorgen op straat of keukens leegroven (terwijl de bewoners in de kerk zaten) .

De hondeslager had ook geen tijd om zich daarmee bezig te houden. Voor iedere hond die hij met zijn zweep verjoeg leken er wel drie terug te komen. Honden zijn nu eenmaal graag op plaatsen waar mensen zijn.

Klachten bij de pastoor

En alsof dat nog niet genoeg was waren er ook kerkgangers die hun hond meenamen naar de kerk. Wilde de hondeslager dan zijn werk doen en de hond verjagen dan kwam de kerkganger in verzet.
De hondeslager klaagde hierover bij de pastoor, de pastoor ging klagen bij de schout en vervolgens kwam de schout met het voorstel “dat het voor iedereen verboden werd in de kerk te komen met een hond bij zich, hetzij klein of groot, op de boeten van een schelling, ten behoeve van den hondeslager.” Werd de schelling niet meteen betaald dan mocht de hondeslager de hond in beslag nemen.

De hondeslager mocht niet alleen de hond van kerkgangers in belag nemen, hij mocht ook alle andere loslopende honden in beslag nemen totdat zij, tegen betaling van een boete, door hun baas werden teruggevraagd. Gebeurde dit niet binnen 24 uur van werd de hond verbeurd verklaard in het voordeel van de hondeslager. Dit had tot gevolg dat de hondeslager al snel met heel veel honden zat opgescheept waarna hij zijn zweep pakte en ze allemaal weer de straat opjoeg.

Ondanks de overlast bleek de vriendschap tussen de mensen en de honden zo groot dat het stadsbestuur met een andere verordening kwam. Hierin wordt met straf gedreigd tegen iedereen die de hondeslager iets aandeed of hem uitschold.

Misschien vind je dit ook leuk...

Reacties gesloten.