DIENSTBODEN

Meermalen wordt er geklaagd over de dienstboden en niet zelden hoort men daarbij beweren, dat ze vroeger heel wat beter en degelijker waren. Wanneer men de geschiedenis raadpleegt zou men dit mogen betwijfelen. Ongeveer twee honderd jaren geleden, den 23 januarij 1682, maakten “Mijne Heeren van den Geregte” van Amsterdam reeds eene keur tegen de brutaliteit, de babbelarij en de pronkzucht van den dienstmeisjes, waarin o.a. de drie volgende artikelen voorkwamen:

Zonder enige oogluiking gestraft

Geen Knechts, Kameniers, Meiden of Minnemoers zullen zich verstouten in ’t allerminst hunne Heeren, Meesters of Vrouwen kwalijk te bejegenen met woorden of werken, op straffe van zes weken in de Boeijen, te water en brood, gezet te worden. En opdat dit te beter zou kunnen uitgevoerd worden, zoo verstaan Mijne Heeren van den Geregte, dat, indien de Heer, Meester of Vrouw, aan wien de kwade bejegening is geschied, zulks onder eede komt te verklaren, daaraan volkomen geloof gegeven, en de Knecht of Meid, zonder eenige oogluiking gestraft zal worden.

Labbekakkerijen of twiststokingen

Geen Knechts, Kameniers, Meiden, Naaisters of Minnemoers zullen iets van hetgeen, ten huize daar zij dienen, komt voor te vallen of te geschieden, tegen anderen buitenshuis mogen overbabbelen, veel min met labbekakkerij, twist en tweedragt tusschen de huisgenooten, naaste vrienden en anderen, stoken. Zoo zij zulks hooren van de andere, hunne mede-dienstboden, zullen zij gehouden zijn, dit aanstonds aan hunne Heeren, Meesters of Vrouwen bekend te maken. En zoo wanneer uit zulke labbekakkerijen of twiststokingen eenige onlusten tusschen de huisgenooten of anderen komt te rijzen, en de labbekakkerijen kunnen bewezen worden, zullen zoodanige Knechts, Kameniers, Meiden, Naaisters of Minnemoers, door wie de onlusten zijn veroorzaakt, zonder eenige verschooning, drie maanen in het Spin- of Tuchthuis gezet, of anders, naar gelegenheid van zaken, met meer of minder straf gebeterd worden.

Pronkzucht

Vermits sedert eenigen tijd onder de dienstboden zoodanige uiterlijke hoovaardij in ’t dragen van Kleederen, Kanten, Krullen, Lokken, Strikken enz is ingevoerd, dat er geen of weinig onderscheid tusschen de kleeding an hare Vrouwen en haar gezien kan worden; en dewijl dit strijdende is tegen de betamelijkheid en goede zeden; – buiten en behalve dat de dienstboden, die zulks uit haar loon niet kunnen bijbrengen, en echter met anderen willen gelijk staan, daardoor tot ontrouw, dieverij, hoererij en andere vuiligheden vervallen;- zoo hebben Mijne Heeren van den Geregte, om daarin zoveel doenlijk te voorzien, geordonneerd en gewillekeurd:

Een modest en zedig kleed

Dat de Kameniers, Dienstmeiden, Naaisters, Minnemoers, noch andere dienstboden hoegenaamd, die in vaste huur verbonden zijn, na den eersten dag van Mei eerstkomende, voor hare bovenkleederen, zoolang zij dienen en in vaste huur blijven, niets anders zullen mogen dragen als een modest en zedig kleed; namelijk: geen zijde, fluweel noch felp. Hare kleeding zal bestaan in een Jak en Schort, zonder dat zij Tabberts, Samaren, Bouwens of andere dergelijke kleeding zullen mogen gebruiken. Ook zullen zij in ’t allerminste niet mogen dragen eenige gemaakte Krullen, Strikken, nog eenig ander dergelijk afhangend cieraad; ook niet eenige Kanten, alsmede geen boordsel op boven- of onderkleêren, geen Goud, Gesteente, nog Koralen; – alles op verbeurte van ’t opperste kleed, zoo menigmaal iemand daarover bekeurd wordt, of dit te lossen of af te koopen met tien guldens. De Knechts zullen mede niet vermogen aan hunne Dassen eenige Kant, hetzij genaaid of gwerkt, te dragen, noch ook eenige Linnen-mouwen of Lubben, op de verbeurte als voren.vuiligheden te bezondigen

Met vuiligheden te bezondigen

’t Werd er echter, ondanks die mooije keuren, niet beter op. In ’t midden der vorige eeuw droegen de heersknechts gouden horloges (zoodat de heeren, om zich te onderscheiden, zilveren droegen), en kameniers en meiden gingen in ’t juweel. En om dat te kunnen bekostigen, behoefden zij zich niet eens met bovengenoemde “vuiligheden” te bezondigen. Het fooijenstelsel was toen tot een verbazende hoogte opgevoerd, en veel geven heette “zijn fatsoen ophouden bij domestieken”. Ook werd op alle visites kaartgespeeld, en de heeren en dames zouden hun fatsoen te kort gedaan hebben, zoo zij geld in den zak gestoken hadden: alles bleef bij de kaarten op de speeltafeltjes liggen “voor de domestieken”, die er mooi weêr meê speelden.

Bron: Delpher.nl

Misschien vind je dit ook leuk...

Reacties gesloten.